Previous Image
Next Image

info heading

info content


 

Over het onderzoekspand

Het pand is in 1487 gebouwd als refter (eetzaal) van het Heer Florenshuis, een kloostergemeenschap die het gedachtegoed van godsdiensthervormer Geert Grote aanhing (de zogenaamde Moderne Devotie). De refter had een rechthoekige plattegrond, twee bouwlagen met een kelder en een kap. De kelder heeft een voor Deventer typerend gewelf, bestaande uit troggewelfjes op dubbele gordelbogen met in het midden een zandstenen zuiltje. De kap bestaat uit kapsporen die ondersteund worden door zware eikenhouten gebinten. Op enkele kleine herstellingen na, is deze middeleeuwse kap nog volledig intact. Rond 1800 is er een nieuwe woonvleugel tegen het oude reftergebouw aangebouwd. Hierbij kregen alle buitengevels een voor die tijd modieuze architectuur in neoclassicistische stijl. De twee bouwfasen zijn in de kap nog goed herkenbaar door het verschil in toegepaste houtsoort. De kap uit 1487 bestaat uit zware eikenhouten balken terwijl het deel uit 1800 opgebouwd is uit kleinere grenenhouten balken. Vanaf 1865 is het pand gebruikt door modewinkel Schr├Ąder. De indeling en de winkelpui zijn hierdoor meermaals aangepast. In 2015-2016 is het pand gerestaureerd in opdracht van de nieuwe eigenaar NV Bergkwartier, Maatschappij tot Stadsherstel.

Over het onderzoek

opdrachtgever: NV Bergkwartier/Hogeschool Utrecht

Het onderzoek heb ik uitgevoerd als afstudeeropdracht van de opleiding Bouwhistorie, Restauratie en Monumentenzorg te Utrecht. Uitgangspunt hierbij was om de bouwgeschiedenis zoveel mogelijk te achterhalen aan de hand van sporen in het gebouw zelf. Het gaat dan om aanwijzingen zoals bouwsporen en verschillende bouwmaterialen. De tekst in het onderzoeksrapport is zoveel mogelijk geïllustreerd met afbeeldingen en tekeningen zodat er voor de lezer een overzichtelijk verhaal is gepresenteerd.

Het onderzoek bestond uit drie opdrachten die gedurende een jaar zijn uitgevoerd. In de eerste opdracht heb ik een algemene bouwhistorische verkenning van het gehele pand uitgevoerd. Niet alleen werd de bouwmassa gedateerd, ook werd aan de verschillende onderdelen een zogenaamde cultuurhistorische waarde (beredeneerd) toegekend. Voor zover mogelijk werd daarbij de vroegere functie en het gebruik van het pand in kaart gebracht. Terwijl ik het pand onderzocht, onderging deze een restauratie wat mij de gelegenheid gaf de oorspronkelijke bouwmassa onder de latere afwerkingen te onderzoeken. Het tweede onderzoek richtte zich op de kap en de houten hijsinstallatie die zich op de vlieringzolder bevond. Door minutieuze bouwsporen in het kaphout nauwkeurig te onderzoeken, kon een beeld geschetst worden van het transport van het bouwhout, de wijze waarop het verzaagd werd en hoe het eikenhout uiteindelijk tot kap werd geconstrueerd. Ook latere aanpassingen aan de kap kwamen op die manier aan het licht. Door te letten op het (her)gebruikte materiaal kon ook de hijsinstallatie nauwkeurig worden gedateerd. Het derde onderzoek ging in op de twee middeleeuwse kelders onder Engestraat 2-4 en 8. Beide kelders zijn uitvoerig gedocumenteerd waarbij in het bijzonder aandacht was voor de verschillende vloerverhardingen. Ook is er een vergelijking gemaakt tussen de verschillende toegepaste laatmiddeleeuwse keldergewelven in de IJsselstreek. In de steden aan de IJssel zijn namelijk sterk uiteenlopende gewelftypen toegepast, die soms zeer streekgebonden bleken te zijn.